De onderkant van het hoger onderwijs

Deze week begon in Nederland het academisch jaar: het uitgelezen moment voor universiteitsbestuurders en hun speciaal uitgenodigde gasten om ook wat “hogere” onderwijsbeschouwingen weer te geven. Afgeven op het Haagse beleid viel deze keer moeilijk. Het nieuwe kabinet had zichzelf immers honderd dagen respijt gegeven en met Prinsjesdag vlak voor de boeg, was er niet echt veel concreets om op af te geven. En reageren op beleidsgeruchten verraadt meer over de eigen universitaire zorgen dan dat men de Minister overtuigt. Zo leverde de brandbrief van de Nijmeegse bestuursvoorzitter en burgemeester over het aan de Minister toegeschreven plan 100 miljoen van de geoormerkte, zogenaamde eerste geldstroom universitaire middelen naar de, tussen universiteiten in concurrentie te verwerven, tweede geldstroom over te hevelen, hen een directe kwinkslag op van de Minister bij de opening van het academisch jaar afgelopen maandag in Utrecht. Zoals Plasterk het stelde: “maak je niet dik, zorg dat de wetenschap in je stad en je instelling goed is, durf daarop te vertrouwen, en als het even ergens niet zo goed is, ja, dan is het inderdaad beter voor het land dat het geld op dat moment gaat naar een topproject of een toponderzoeker in plaats A dan naar tweederangs werk in plaats B. Stijg uit boven je kleine eigenbelangetje, en zie in dat we er met zijn allen beter van worden als we de beste wetenschap honoreren.”

De academische opening in Maastricht steeg als het ware boven deze nationale eigenbelangetjes uit. De internationaliseringlijn van de universiteit werd verder doorgetrokken met internationale, academische beschouwingen rond de internationale toekomst van het hoger onderwijs door Jo Ritzen en de aard en functie van hersenactiviteiten bij de ontwikkeling van leervermogen door de Amerikaanse neurowetenschapper Adèle Diamond. Ritzen’s economische analyse kan ik slechts onderschrijven. De ontgroening van de autochtone studentenbevolking zet zich in Limburg trouwens nog sterker door dan elders in Nederland, Europa of de VS. Wil er zich in de nabije toekomst geen kaalslag voordoen tussen Europese universiteiten dan zullen nieuwe studentengroepen: allochtone studenten, studenten uit lagere inkomensgroepen, buitenlandse studenten uit opkomende ontwikkelingslanden aangetrokken moeten worden. Interessant in dit verband is de vaststelling dat de Amerikaanse Harvard universiteit sinds 2004 een beleid heeft van volledige onderwijskostenvergoeding voor studenten uit gezinnen met een jaarlijks inkomen van minder dan $40.000. Dit jaar wordt die grens verder opgetrokken tot $60.000 waarvoor door de universititeit jaarlijks zo’n $ 90 miljoen wordt uitgetrokken uit het eigen, goed gespekte endowment fonds. Daardoor is Harvard nu, naast de onbetwiste nummer 1 wereldwijd, ook één van de meest toegankelijke universiteiten voor studenten uit armere gezinnen. Kortom, effectief lukt het Harvard waar geen Europese of Nederlandse universiteit met hun laag collegegeld en min of meer gratis universitair onderwijsaanbod in geslaagd is: de onderkant van de hogere onderwijsmarkt te bereiken.

Waarom die omslag van de top naar de onderkant van de hogere onderwijsmarkt zo moeilijk is, werd mij zonder meer duidelijk uit Diamond’s lezing. De obsessie met excellentie in het hoger onderwijs ontkent in zekere zin het belang bij leren van zelf-discipline, van brede multidisciplinaire interesse en van kritisch denken door oefening: van de kleuterklas, tot de hogere onderwijsinstelling. Al deze zogenaamde uitvoerende functies van de hersenen zijn, zo verduidelijkte Diamond, essentieel voor leren; belangrijker zelfs dan talent of intelligentie. Vanuit deze optiek is het universitair onderwijs, zeker in Nederland, wellicht ook te ver doorgeschoten in zijn specialisatie. Er is in de meeste opleidingen geen tijd meer ingelast voor bredere inzichten uit andere disciplines. Het gevolg is dat men excellente gespecialiseerde wetenschappers opleidt die niet alleen multidisciplinaire kennis missen maar dikwijls ook de kritische interpretatie vanuit andere disciplines ontberen.

Waartoe dit kan leiden, werd knap beschreven in een recent opiniestuk (NRC, 14 augustus) van oud Maastricht student Timor El-Dardiry en zijn broer Ramy over moslimfundamentalisme onder jonge intellectuelen. Ramy El-Dardiry constateerde op basis van zijn jaarlange reiservaring in Indonesië dat het juist studenten met een exacte wetenschappelijke achtergrond waren die het meest ontvankelijk leken voor de simplistische visies van de Islam “waarin goed makkelijk van kwaad te onderscheiden is.” Zoals beide broers vaststelden, was het karakteristieke van jonge intellectuele moslimfundamentalisten dat het moderne mensen waren die in hun opleiding “analytische methoden tot hun academische discipline” beperkten, en daardoor bij de latere ontdekking van hun godsdienst deze later vooral willen vertalen in duidelijke maar ook vrij enge, kritiekloze interpretaties van de Islam.

Kortom het verwerven van kennis heeft vele facetten. Universiteiten zijn het de gemeenschap verplicht zowel wat toegang als opleiding betreft de brede universalis gedachte hoog in het vaandel te houden.

Luc Soete

8 september 2007