Welkom op de website van Luc Soete

Deze website biedt in de eerste plaats elektronische toegang tot Nederlandstalige kranten- en tijdschriftartikelen die over de loop van de jaren gepubliceerd werden.

 
 
Dagblad de Limburger
Archief >>

trends
Trends
Archief >>

MeJudice
MeJudice / NRC Handelsblad
Archief >>

esb
ESB
Archief >>

blog
Weblog
Archief >>

rapporten
Rapporten
Archief >>

archief
Archief
Diversen >>

video
Video
Archief >>

UK
Engelstalige publicaties
Archief >>


Luc Soete
tel: +31 (0)43 388 44 00
fax: +31 (0)43 388 44 99
soete@merit.unu.edu

Curriculum Vitae

 

 

 

 

 

 

Weblog:

April 2014: Plagiaat en “Correct citeren”

Zopas verscheen het KNAW briefadvies “Correct Citeren” dat na alle heisa rond de case van Peter Nijkamp, alsnog duidelijkheid poogt te scheppen over, en ik citeer zo correct mogelijk uit de eerste zin van de samenvatting : “de mate waarin wetenschappelijke integriteit wordt geschonden in het overgangsgebied tussen enerzijds plagiaat en anderzijds correct hergebruik van teksten, ideeën en ander gepubliceerd materiaal.” Een mondvol, maar een goed advies dat uitblinkt door de zorgvuldigheid waarmee de problematiek van “hergebruik van materiaal” wordt beschreven en verhelderd.

Lees verder...


Maastricht Univercity [1]

Rectores Magnifici,

Rectores normali van elders in Europa,

Collegae hoogleraren en andere eminences grises,

Dames en heren,

De laatste keer dat ik hier op deze kansel stond, was in 1990, op 12 januari 1990 om precies te zijn. Het ziet er hier van boven precies nog uit zoals toen...

De titel van de Dies Natalis lezing die ik toen vanop deze plek mocht houden was “The future isn’t what it used to be:  een toekomstverkenning over Internationalisering Anno 1990”, geschreven op de drempel naar – wat leek - een nieuwe tijd. The future isn’t what it used to be kwam mij toen voor als een gepaste titel, omdat aan het begin van dat laatste decennium van de vorige eeuw de toekomst van onze Westerse Europese wereld er plots, na de val van de muur in Berlijn, helemaal anders uitzag. Optimisme vierde hoogtij, en toegegeven ook bij mij.  

Ik citeer in deze bange Europese tijden nog even uit die lezing uit 1990: “Op een ogenblik dat iedereen in Europa, excuseer West-Europa, het heeft over de opening van de grenzen in 1992, openen zich drie jaar eerder de echte grenzen in Europa, die mét prikkeldraad, mét monitortorens en mét grensbewakers. De foldertjes van de EC die met zoveel kosten en moeite de mensen ervan moet overtuigen dat de grenzen – welke grenzen vraagt menig burger zich af – zullen opengaan in 1992, lijken prima geschikt voor verspreiding in Oost-Duitsland, Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Bulgarije en Roemenië.”  [Einde citaat] 

Het was toen de Dies Natalis lezing van de toenmalige Rijksuniversiteit Limburg. In die tijd waren op een totaal van zo’n vijduizend studenten er 23 Belgische en 35 Duitse studenten. Ik stelde voor die universiteit Limburg verder horizontaal uit te bouwen tot een internationale Limburgse universiteit met twee campussen, Diepenbeek/Hasselt en Maastricht, en dan verder Euregionaal te gaan samenwerken met Aken en Luik naar het voorbeeld van de Confederatie van de "Oberrheinischen Universitäten" waarin de vijf universiteiten van Straatsburg, Mulhouse, Karlsruhe, Freiburg en Basel participeerden, tegenwoordig Eucor geheten. Het is hier niet het moment om uit te weiden over wat er van al dit alles al dan niet gerealiseerd werd.

Nu 22 jaar later, en met een knipoog naar onze Akense collega’s, zou ik als titel voor een Dies Natalis lezing kiezen voor `Maastricht Univercity´. In het Engels uiteraard en Univer-city geschreven met een c in plaats van een s. Maastricht als universiteitsstad. Ik wil U onmiddellijk gerust stellen, dat ga ik hier niet doen.

Maar het valt op hoe de lange termijn toekomst van deze historische stad er nu één is van een universiteitsstad waarbij ik het nu niet enkel heb over de Universiteit Maastricht maar ook over het Maastricht UMC+, de Hogeschool Zuyd en de vele andere nationale en internationale kennisinstellingen gevestigd in Maastricht: het EIPA, het ECDPM, de MSM, het United World College en uiteraard ook het eigen UNU-MERIT. Samen vormen ze de kern van Maastricht Univer-city. Zeker in deze tijd van financiële onzekerheid, toenemende kantoor- en winkelleegstand kan een duurzame toekomst van Maastricht niet langer los gezien worden van die van haar kennis- en onderwijsinstellingen en haar internationale studenten- en stafpopulatie.  Voor Maastricht is dat trouwens niets nieuws. Maastricht is altijd een Univer-city geweest.
Een historische opfrisser (met dank aan Harry Hillen [2]).

De rectoroverdracht zoals deze hier vandaag plaats vindt kent een lange geschiedenis. In de St. Janskerk werd vanaf deze kansel in de achttiende eeuw de rede van de rector bij de opening van het academisch jaar en de inaugurele redes van de hoogleraren van de Illustre School te Maastricht uitgesproken. In het archief van het Centre Ceramique kunt u voorbeelden vinden van deze redes. En juist zoals in het geval van de Universiteit van Amsterdam, waar de Athenaeum Illustre - de illustere school gevestigd in de Agnietenkapel – beschouwd mag worden als de grondlegger van de Universiteit sinds 8 januari 1632, kan de Illustre School van Maastricht ook beschouwd worden als voorloper van de Universiteit Maastricht. Alleen volgde in Amsterdam in 1815 de wettelijke erkenning van het Athenaeum Illustre als instelling van hoger onderwijs: de Universiteit van Amsterdam. In Maastricht verzocht  Koning Willem I de Gemeenteraad in 1817 de Illustre School uit te bouwen tot universiteit van Maastricht. Jammer genoeg liet de gemeente weten over te weinig geld te beschikken om dit te realiseren. Zo werd uiteindelijk door koning Willem de Eerste een universiteit in Luik [3] en niet in Maastricht, opgericht... Maar wie weet misschien dat dan ook Maastricht tijdens de Belgische opstand in 1830, voor Nederland niet behouden zou zijn gebleven.
Het is dus in velerlei opzichten merkwaardig dat ik hier voor U sta, een toekomstige Belgische Rector Magnificus van de Universiteit Maastricht. Mijn enige buitenlandse voorganger lijkt een zekere Joost Lips [4] te zijn, ook uit Brusselse contreien, die het destijds tot viermaal toe tot Rector van Leiden schopte.  We schrijven wel 1575.
Maar dit waren uiteraard andere tijden: misschien niet zozeer wat het internationale gehalte van docenten en studenten betrof als wel het aantal. De explosie van hoger onderwijs activiteiten in Maastricht over de afgelopen decennia, en zo U wil de afgelopen eeuwen, is wat Maastricht Univer-city tegenwoordig kenmerkt. Een groei die op eerste zicht onverzadigbaar lijkt en naar de toekomst wellicht ook zal blijven. Om een concreet voorbeeld te geven: voor de aan een numerus fixus onderhevige bachelorstudies bedrijfskunde hebben zich tot op heden 3162 studenten aangemeld voor in totaal 1050 plaatsen; voor de 200 plaatsen binnen het University College Maastricht zo’n 714 studenten.     

Zo’n dertig jaar geleden heeft Howard Rothmann Bowen [5], een Amerikaanse onderwijseconoom, die zijn inzichten ook opdeed uit zijn eigen ervaring als president van drie verschillende Amerikaanse colleges, de “wet van Bowen” geformuleerd die op eerste zicht lijkt op een typische economen tautologie: “de kosten van hoger onderwijs worden bepaald door de beschikbare middelen”.  Maar als er wat dieper op ingegaan wordt, een interessante stelling. Want de wet van Bowen verklaart goed waarom Amerikaanse colleges en universiteiten over de laatste dertig jaar steeds meer zijn gaan concurreren op reputatie en prestige, eerder dan op basis van kwaliteit en prijs. In de VS lijkt de belangrijkste prikkel voor universiteiten het collegegeld zoveel mogelijk te verhogen. Tegenwoordig ligt Bowen’s wet ook mede aan de basis van de wereldwijde reputatiewedloop in hoger onderwijs waarbij nationale en internationale rankings van universiteiten als een soort van informatie aanjager werken. Het effect is, zoals Frans van Vught heeft aangetoond [6] een steeds grotere conformiteit en imitatiegedrag tussen hogere onderwijsinstellingen.

Vorige maand werd voor het eerst, in tegenstelling tot de geaggregeerde universiteitsranking van de Shanghai Jiao Tong University en de Times Higher Education Supplement, een gedesaggregeerde ranking van universiteiten voor zo’n 250 verschillende disciplines gepresenteerd mede uitgevoerd door UNU-MERIT’s zuster UNU instelling in Macao, UNU-ISST. Interessante lectuur. Want wat blijkt? Wel dat de Amerikaanse Ivy League universiteiten en het Engelse Oxford en Cambridge die in de top twintig staan van de Shanghai ranking, tevens hoog scoren in practisch alle disciplines, maar ook dat heel wat Europese universiteiten uitzonderlijk hoog scoren in gespecialiseerde discipline gebieden. Met andere woorden, in tegenstelling tot de indruk van totale dominantie en een ongenaakbare wereldreputatie van de Ivy League en Oxbridge, hebben heel wat Europese universiteiten zich “slim” gespecialiseerd op bepaalde gebieden waar zij behoren tot de absolute wetenschappelijke wereldtop. Iets wat niet opgepikt wordt in geaggregeerde nationale en internationale rankschikkingen van universiteiten. Vanuit dit oogpunt is het ogenschijnlijke gebrek aan internationale reputatie van Europese universiteiten, zoals dikwijls beleden door Europese politici op basis van de afwezigheid van Europese universiteiten in de geaggregeerde wereldtop 50, iets dat misschien zelf toegejuicht zou moeten worden.  Het leidt immers minder tot de soort van reputatiewedloop die het Amerikaanse hoger onderwijsstelsel tegenwoordig in zijn greep houdt met de neiging collegegelden steeds verder te willen verhogen (440% over de laatste 25 jaar) zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een sterke kwaliteitsverbetering. En door slim te specialiseren, weten Europese universiteiten onderzoekers aan zich te binden die minder behoefte hebben om zich te profileren aan nationale reputatie rankschikkingen van universiteiten.

Maar terug naar Maastricht: de eerste overdracht van een rectoraat hier in de St-Janskerk vond plaats in 1715 binnen het kader van de Illustre School tussen prof. du Rondel en prof.  Levericksvelt. Du Rondel was al in 1683 aangetreden. Een rectoraat besloeg toen gemiddeld 33 jaar...

[7]Van de enkele minuten die mij hier nog rest, getooid met deze ketting, lijkt mij het beste U voor te bereiden... voor te bereiden op het verlies van een geliefde Rector Magnificus die de instelling zo veel heeft gebracht over de laatste 8 jaar en zes maanden. Wat ik zelf bij Gerard als mijn Rector Magnificus het meest heb geapprecieerd is zijn grote capaciteit tot relativeren. Misschien omdat Gerard altijd met één been in de echte wereld is blijven staan als plaatstvervangend raadsheer of als huistuinder, maar het is iets waar ik met steeds weer grote bewondering naar heb opgekeken. Ik zal nooit vergeten hoe ik, vol zorgen, Gerard ooit opbelde en na een gesprek van nog geen twee minuten dat vooral bestond uit Gerard’s bulderende lach, opnieuw volledig relaxed tegen het universitaire leven aankeek. Relativeren. Een kunst als Rector Magnificus. De invloed van Gerard wordt me nu dat ik binnen enkele maanden het stokje van hem als Rector Magnificus mag overnemen ook veel duidelijker. Zelf heb ik leren relativeren middels het schrijven van columns in de lokale krant. Nu ik nog geen Rector ben, citeer ik kort uit een oude krantencolumn waarin ik het had over het managen van een universiteit [8]. “Ik denk dat het managen van een universiteit zo ongeveer het best te vergelijken valt met het managen van een zoo. Je hebt een reeks verschillende bijzondere dieren in huis - de hoogleraren - elk met heel bijzondere kenmerken. Sommigen zijn eerder vredelievend, zelfs schattig en hebben een hoog aaibaarheidsgehalte. Anderen zijn dan weer schichtig en blijven het liefst in hun academisch hok. En anderen zijn dan weer gevaarlijk, soms heel gevaarlijk. Wanneer bezoekers - b.v. potentiële donors, collega’s, bedrijfsleiders, politici - langskomen moet je dus goed het onderscheid kennen. De laatste categorie, die zo’n bezoekers toch veeleer als een prooi zien, laat je hun kunsten tonen in een beveiligde omgeving, in andere gevallen moet je fysiek contact juist aanmoedigen. Het managen van een zoo is uitermate complex: je inwoners hebben allemaal verschillende behoeftes en voorkeuren: sommigen kun je samen laten hokken in eenzelfde tuin of gebouw - een  faculteit, een departement, een instituut - anderen moet je juist apart houden. Logistiek is het ook heel complex: je inwoners hebben totaal verschillende dieetbehoeften en je zult veelal per soort begeleiders – beheerders, directeuren -  nodig hebben die voor hen zorgen en toch vooral niet door hen opgegeten worden.  En het publiek - je studenten - die komen toch vooral naarmate je meer exotische dieren hebt. Af en toe heb je er enkelen die met foto en al in de pers komen en dat trekt natuurlijk weer meer publiek.”

Mijn inspiratie voor dit stukje kwam ongetwijfeld nog vanuit de tijd dat ik aan de Antwerpse universiteit werkte en elke dag weer langs de zoo treinde. Maar maakt U zich geen zorgen, ik ben begin dit jaar gestopt ter voorbereiding op dit rectoraatschap met het schrijven van columns in de lokale krant. Je kunt immers je eigen instelling niet al te veel relativeren...

Beste Gerard, je gaat straks met sabbatical, maar toch niet helemaal, want ook gedurende de sabbatical sta je de UM bij in de instellingsaccreditatie en je blijft de baas van TMFI, The Maastricht Forensic Institute van de UM. Het beheren van een universiteitsinstituut is heel wat anders dan het managen van een universiteit. Als ik zo vrij mag zijn, wil ik even putten uit mijn eigen ervaring als directeur van een universiteitsinstituut. Om het met een even exotische vergelijking als die van Rector Magnificus van een universiteit te stellen, het besturen van een universiteitsinstituut kan best vergeleken wordt met een medisch team dat uitgestuurd wordt naar een disaster area.  Ik citeer opnieuw uit één van die relativerende, eigen oude krantencolumns: “Eerst snel de selectie maken tussen zwaar gewonden en half doden, de nog enigszins mobiele gewonden die het met krukken en verbanden kunnen redden en tenslotte de anderen. Die laatste categorie stuur je onmiddellijk terug het slagveld in. Geef ze wat voorraden tot het einde van het academisch jaar en klaar is kees. Volgend jaar mogen ze terugkomen om te rapporteren. Hoe meer je ermee bezig bent, hoe meer je in de weg zit. Met de tweede groep moet je ook niet te veel bezig zijn: vooral aanmoedigen, hier en daar wat bandages vervangen, een kruk  of rollator aanbieden of zo. In feite moet je al je tijd steken in de eerste groep. Erbij zitten, hand vast houden tot ze in vrede afscheid nemen van het universitaire leven of, in zoverre mogelijk, ze reanimeren.”

Mag ik ten slotte alle leden van de Maastrichtse universitaire gemeenschap alsmede de leden van de Raad van Toezicht danken voor het vertrouwen dat zij in mij gesteld hebben. Ik kijk met spanning uit naar deze nieuwe uitdaging...

Ik dank U.
Professor dr. Luc Soete,
Maastricht, 29 juni 2012


[1] Tekst van de Inaugurele rede van Professor dr. Luc Soete in de Sint-Jan’s kerk te Maastricht op 29 June 2012 bij de officiële overdracht van het Rectoraat van Professor dr. Gerard Mols van de Universiteit Maastricht.

[2] Zie Maastricht Kennisstad; 850 Jaar Onderwijs en Wetenschap in Portretten, 2010 en Hillen, H. (2010), Eerste hoogleraar geneeskunde Maastricht: Pelerin, Ned Tijdschr Geneeskd. ;154:A1525.

[3] Zou Bernard Rentier, de Rector van de Universiteit van Luik hier aanwezig geweest zijn, dat had hij wellciht beklemtoond dat dankzij de reputatie van de ambachtscholen in Luik, de stad altijd een reputatie had als het ‘Athene van het Noorden’ teruggaande tot het Collège dat opende in 1496 en de Prins-Bisschop Velbruck die het College van Engelse Jesuiten (gevetsigd in Luik sinds 1614) omvormde tot de English Academy die de basis vormde voor de latere Academia Leodiensis officieel opgericht door Willem de Iste op 25 September 1817.

[4] In die dagen verlatijnsde men naam en voornaam. Joost Lips was de Nederlandse naam van Justus Lipsius.

[5] Zoals Bowen het formuleerde: “colleges raise all the money they can, and spend all the money they can raise.” Of ook nog: “The question of what ought higher education to cost—what is the minimal amount needed to provide services of acceptable quality—does not enter the process except as it is imposed from the outside. The higher educational system itself provides no guidance of a kind that weighs costs and benefits in terms of the public interest. The duty of setting limits thus falls, by default, upon those who provide the money, mostly legislators and students and their families.” Bowen, H. (1980), The Costs of Higher Education.
Robert E. Martin, een andere econoom concludeerde op basis van Bowen’s wet dat “higher education finance is a black hole that cannot be filled. The relationship between revenues and subsequent costs has a dynamic feedback effect. Higher education responds to higher costs by raising tuition and fees or initiating fundraising campaigns. But because costs in higher education are capped only by total revenues, there is no incentive to minimize costs. The costs go up in tandem with revenues. The next year, the cycle begins again because the higher costs mean that the new programs must be financed by additional revenues. There is thus a never-ending spiral effect between revenues and cost.”

[6] De vroegere Rector Magnificus of Twente, Professor Frans van Vught in Vught, van, F. (2008), Mission Diversity and Reputation in Higher Education, Higher Education Policy, 21, 151–174.

[7] Bij gebrek aan tijd werden de volgende gearceerde paragrafen niet tijdens de rede uitgesproken.

[8] Zie Soete, L. (2010), Universitaire managementwijsheden, Dagblad De Limburger, 13 novermber 2010 (http://www.soete.nl/ddl/ddl201011.html). Ik ben met name Paul David dankbaar voor zijn inspiratie in het schrijven van deze column.

Developed and hosted by UNU-MERIT